Passie voor de motor

Onder een motorhelm gaan vaak grijze haren schuil. Wat bezielt die oudere motormuizen? „Ik rijd nog als een coureur.”

 

’De kick is het rijden langs mooie stekjes’

 

Peter Driehuis (54) uit Lelystad 

„Op een motor ben je The king of the road. Je voelt je vrij, de wind om je heen, en je zit toch heel comfortabel.
Ik ben al sinds mijn achttiende motorgek. Nadat ik trouwde, en een huisje kocht, heb ik mijn rijbewijs gehaald.
Sindsdien ben ik niet meer van de motor afgeweest. Nou ja, ik heb drie jaar niet gereden toen ik geen werk had.
Benzine is duur, en je rijdt al gauw 200 kilometer per rit.

Je moet prioriteiten stellen, al jeukt het toch. Bij mij is de kick niet de snelheid. Ik rijd vooral door de natuur, langs mooie stekjes.
Toen ik nog in Maarssen woonde, zat ik daar bij een club. De club in Lelystad is niet mijn soort club. Meer van ’de vlam in de pijp’, rijden op het randje.
Ik probeer altijd heelhuids thuis te komen. Gas eraf, als je geen oogcontact met andere weggebruikers hebt. Niet snel rijden om op te vallen.
Ik rijd voor mezelf, niet voor een ander. Het is natuurlijk wel leuk als iemand zegt: ’Mooie fiets!’ Met BMW heb ik altijd al iets gehad.
Het was een gelukje dat ik deze speciale uitvoering kon krijgen.”

 

’Die machocultuur in de motorwereld is niet prettig’

Géke
Sieben (57) uit Baarn:

„Ik was in Baarn de eerste vrouw op een motorfiets, in 1974. Sommige jongens zeiden: meisje, is dat niet te zwaar?
Die machocultuur in de motorwereld is niet prettig. Daarom is er een club voor vrouwen opgericht: de Women’s International Motorcycle Association.
De Nederlandse afdeling heeft zeventig leden. Het verschil tussen mannen en vrouwen? Wij houden bij het toeren rekening met wie pas haar rijbewijs heeft. Mannen gaan immer gerade aus, wie het hardste kan, de meeste pk’s.

Toen ik jong was, ging ik op m’n brommer al zo plat mogelijk door de bocht. Zó gaaf. Toen ik 22 was, ging ik een keer op een motorfiets zitten.
Ik dacht: dit is het helemaal. Dat gevoel van vrijheid, dat avontuurlijke...
En de geuren die je ruikt: van het bos, van de wei.

Op een motor is alles intenser. Vroeger reed ik zelfs bij 12 graden vorst. Sinds ik ook een auto heb, ben ik een mooi-weer-rijder.
Leeftijd speelt een rol, maar ook het gemak van de auto. Motorrijden vraagt veel meer van je zintuigen en je reactievermogen. Stoer?
Nou ja, zo’n motor streelt wel je ego. Maar het gaat me vooral om de vrijheid.”

 

’Het is een verslaving, maar dan een positieve’

Pieter Jonker (55) uit Joure:

„Ik ben ieder weekeinde op weg. Toerritten doe ik veel, en daarnaast natuurlijk wegraces. Dat doe ik al 37 jaar, vanaf mijn achttiende.
Mijn vrouw rijdt ook motor. Mijn dochter van 28 gaat vaak achterop. Vindt ze heerlijk.

Autorijden, daar is niets aan. Toen ik jong was, heb ik ooit mijn motor verkocht en een auto gekocht, een Volvo. Allebei kon ik me niet veroorloven.
Maar toen de motoren me voorbij raasden, zat ik te vloeken achter het stuur. Na een half jaar heb ik die auto weer weggedaan.

Het is een verslaving, maar dan een positieve. Zondagochtend broeit het in mijn lichaam, dan wil ik rijden. Als ik één keer gas geef, is alle stress weg.
Jammer dat de groep waar ik mee rijd uitdunt. Ze worden ouder, krijgen kwalen. Ik niet hoor. Ik rijd nog als een coureur.

Toen ik jong was, had je bij ons een plek waar iedereen altijd zat te drinken. Ik trok daar dan op, en ging er langs met een haakse hoek, zo langs een lantaarnpaal. Mijn vrienden sloten weddenschappen over hoe lang ik het zou overleven. Maar nu hebben ze zich erbij neer moeten leggen: ik kan dat.”

 

’Het leukste is om in de bocht juist gas te geven’

Martin van Raam (58) uit Ermelo:

„Ik kan de hele dag praten over de kick van het motorrijden. In 2002 ben ik begonnen. Vroeger was ik anti-motor.
Gekken, dacht ik, als ze weer voorbij kwamen razen. Maar mijn schoonzoon, die al motor reed, zette me op het spoor.

Toen ik stopte met mijn reparatiebedrijf in antieke auto’s dacht ik: met zo’n motor kan ik op mijn oude dag een beetje rondjes rijden.
Het is een passie geworden. Ik heb er al 100.000 kilometer op zitten.

Deze Honda Blackbird, die zit met 340 op z’n top. De snelste wegmotor ter wereld. Ik rijd stevig door. Het leuke is om de bochten met dezelfde snelheid te nemen als de rechte stukken, of dan juist gas te geven. Zo’n bocht nemen, dat voelt als klaarkomen. Iedere bocht is mooi.
De kick die je ervan krijgt als dat achterwiel tegen het wegglijden aan zit...

Het liefst rijd ik iedere dag. Volgend weekeinde gaan we met de Blackbird Owners Club naar de Eifel. Autorijden doe ik niet meer.
Als ik moet autorijden dan denk ik: gadver. Motorrijden is altijd lekker een ritje. Ik kan niet meer zonder.
Zolang ze me er niet op hoeven te tillen als ik wil rijden, ga ik door.”

 

’In beweging zijn terwijl je stilzit, dat is geweldig’

Nico van Santen (73) uit Hilversum:

„Ik rijd al sinds 1961, toen ik 28 was. Dit motorpak is veertig jaar oud. Mijn vader reed al een Eijsink, zo heb ik het opgepikt.
Mijn BMW heb ik zeventien jaar. Een conservatieve motor, dat past bij mij. Weinig elektronica. Hoe meer elektronica, des te meer kans op mankementen die ik niet kan verhelpen. Deze, daar is nooit wat mee. Maar ik rijd ook niet als een idioot. Ik heb er wel een grotere tank op laten zetten. Een Heinrich. Prachtige tank. Zo heb je een grote actieradius. Ik heb hier wel eens 500 tot 600 kilometer op gereden, fenomenaal.
Kun je de hele dag doorrijden, hoef je pas ’s avonds te tanken.

Motorrijden is geweldig: je bent in beweging terwijl je stilzit. In een auto zit je in een cocon.
Op een motor hoef je je helm maar open te klappen om met iemand te praten. Ik rijd nog één rit per maand, met de club.
Vroeger ging ik alleen op pad, maar dat is nou min of meer afgelopen. Dat kan ik niet meer. Ik ga er nog een jaar of vijf mee door.
Daarna gaan er vast allerlei dingen aan me mankeren.”

Tekst: Marten van de Wier

Foto’s: Maartje Geels

Trouw, woensdag 2 mei 2007